VRAAG
 Hoe kan het dat twee veulens van dezelfde merrie-hengst combinatie toch zo verschillend zijn?
ANTWOORD
 De natuur is erbij gebaat om zoveel mogelijk ‘genetisch te strooien’. Dat heeft met de evolutie te maken. Door dat strooien zijn er altijd wel een aantal dieren met de juiste genetische aanleg om de soort in stand te houden als de omstandigheden zouden veranderen. Drie biologische processen brengen deze ‘oer-wet’ om variatie te creëren tot uitvoering. Het zijn processen die te maken hebben met de vorming en de combinatie van spermacellen en eicellen:

1.Mutatie: veranderingen op het DNA. Het DNA dat overgedragen wordt van ouder op nakomeling kan door dit proces iets wijzigen. 

2. Recombinatie: de vorming van sperma- en eicellen. Bij de vorming van sperma- en eicellen worden chromosomen gesplitst. Door deze splitsing ontstaan nieuwe combinaties van allelen. Elke gevormde sperma- en eicel bevat daardoor een andere combinatie van genetisch materiaal.

3. Meiose: de combinatie van sperma- en eicellen. Zoals hierboven genoemd bevatten alle sperma- en eicellen ander genetisch materiaal. Doordat elke willekeurige eicel door een van de spermacellen bevrucht kan worden, zijn heel veel combinaties van sperma- en eicellen (en dus van genetisch materiaal) mogelijk. 

In paragraaf 1.5 worden deze drie processen uitgelegd. Het komt op het volgende neer: het genetisch materiaal dat een individu van zijn ouders ontvangt wordt eerst stevig gemixt. Dat gebeurt bij ieder individu weer opnieuw. Om deze reden zijn twee nakomelingen uit de zelfde merrie-hengst combinatie genetisch nooit hetzelfde. 
EVEN IETS MEER
 Er bestaan de nodige voorbeelden van volle broers die beide zijn goedgekeurd bij een stamboek. En, hoewel dergelijke volle broers in hun vererving vaak op elkaar lijken, kennen we ook allemaal de verschillen in hun vererving. Dat verschil in vererving wordt veroorzaakt door verschillen in hun eigen genotype. Van hun gezamenlijke ouders hebben ze (deels) andere allelen ontvangen.

Gelijksoortige ervaringen zullen vele fokkers hebben die hun merrie hebben ‘terug gedekt’ bij dezelfde hengst. Had men de eerste keer een goed veulen dan is dat geen garantie dat dezelfde combinatie de tweede keer weer net zo’n goed veulen oplevert.

In de fokkerij is men in principe niet blij met deze natuurwetten die het ‘genetische strooien’ in de hand werken. Fokkers zijn juist gebaat bij zekerheid in de vererving. Ze zijn daarom vaak op zoek naar methoden om een bepaalde mate van fokvastheid of fokzuiverheid te creëren.