VRAAG
 Hoe kan het dat erfelijkheidsgraden in de aanlegtesten zo hoog zijn terwijl die in de sport juist laag zijn?
ANTWOORD
 Om eerst een gevoel te krijgen van het verschil in hoogte van deze erfelijkheidgraden; de erfelijkheidgraad van sport dressuur is 0.15, de aanlegtest dressuur 0.48, sport springen 0.14 en de aanlegtest springen 0.36. 

In het geval van een aanlegtest (denk bijvoorbeeld aan de EPTM) zijn de omstandigheden voor alle paarden ongeveer gelijk. Er is één groep ruiters, er is één trainingsleider, er is één juryteam, er is één wijze van beoordelen, er is één stalmanagement, alle paarden zijn ongeveer even oud, enzovoort. Nu is bekend:

fenotype = genotype + milieu invloeden

De milieu invloeden zijn in een aanlegtest voor alle paarden ongeveer gelijk. Je zou kunnen zeggen: in de bovenstaande vergelijking is de factor ' milieu-invloeden' ongeveer gelijk aan nul. Er staat dan: fenotype = genotype. Het is natuurlijk nooit zo zwart-wit maar je kunt wel zeggen nu dat de verschillen die je ziet tussen de paarden (de verschillen in fenotype) voor een groot deel genetische verschillen (verschillen in genotype) zijn.

Erfelijkheidsgraden die geschat zijn op basis van deze gegevens kunnen daarom hoog zijn. Anders gezegd “je ziet veel van de genetische aanleg”.

Daar tegenover “zie je” in de sport veel milieu-invloeden. Een goede sportprestatie kan naast de genetische kwaliteit van een paard ook te wijten zijn aan geweldige ruiterkwaliteiten, een uitgekiende voorbereiding, enzovoort. Sportstanden bevatten dus veel milieu-invloeden en die invloeden kunnen niet altijd weg gecorrigeerd worden. Erfelijkheidsgraden van sport of competitie kenmerken zijn daarom vaak laag: van datgene wat je waarneemt (het fenotype) is de milieu fractie relatief groot en daarmee dus de genetische fractie (genotype) relatief klein.
LEES VERDER