VRAAG
 Wanneer is een erfelijkheidsgraad hoog of laag en wat betekent dat dan?
ANTWOORD
 Voor de betekenis van erfelijkheidsgraad zie vraag 19.

EVEN IETS MEER
 Elders is toegelicht dat voor kwantitatieve kenmerken geldt: fenotype = genotype + milieu-invloeden

Als de erfelijkheidsgraad van een kenmerk hoog is

dan is aan het fenotype al goed te zien hoe het genotype is. Het kenmerk “schofthoogte” (erfelijkheidsgraad = 0,6) is hiervan een goed voorbeeld. Een groot paard (fenotype) zal veelal ook in z’n genen (genotype) de aanleg hebben om groot te worden. Hard voeren of juist slecht voeren (milieu-invloed) heeft maar een beperkte invloed op de uiteindelijke schofthoogte. Als een kenmerk een hoge erfelijkheidsgraad heeft, is selectie relatief gemakkelijk. Men kan het kenmerk aan het dier zelf meten (fenotype) en op basis daarvan de gewenste dieren selecteren. Men selecteert dan automatisch ook de genetisch gewenste dieren.

Als de erfelijkheidsgraad van een kenmerk laag is

Dan zegt het fenotype van het paard maar weinig over de genetische aanleg (het genotype). Juist de milieu-invloeden hebben nu een relatief grote invloed. Als in deze situatie, paarden worden geselecteerd op basis van hun fenotype, worden veel fouten gemaakt. Dat goede fenotype kan namelijk ook te danken zijn aan gunstige milieu-invloeden. Vaak worden dus de foute genotypen geselecteerd. Als een kenmerk een lage erfelijkheidsgraad heeft is het testen/meten van de dieren zelf niet meer voldoende.

Om een betrouwbaar beeld te krijgen van hun genetische aanleg moeten meer metingen worden verricht. Deze worden dan meestal aan de nakomelingen gedaan. Vooral hengsten krijgen veel nakomelingen en hun genetische aanleg kan dan toch heel betrouwbaar worden ingeschat. Dit dus ondanks het feit dat de erfelijkheidsgraad van dat kenmerk laag is. “Presteren in de sport” is een goed voorbeeld van een kenmerk met grote milieu-invloed en een lage erfelijkheidsgraad (0,15).
LEES VERDER