VRAAG
Wat is het verschil tussen kwalitatieve en kwantitatieve eigenschappen en waarom is dat belangrijk voor mij als fokker?
ANTWOORD
 De eigenschappen/kenmerken die we meten aan onze paarden kunnen worden opgedeeld in twee soorten:
  • Kwalitatieve kenmerken
  • Kwantitatieve kenmerken(ook wel polygene kenmerken genoemd)

Het is belangrijk om iets van dit onderscheid te begrijpen omdat beide groepen kenmerken anders vererven.

Kwalitatieve kenmerken
worden door slechts één gen of enkele genen aangestuurd. Het mooiste voorbeeld van een kwalitatief kenmerken is misschien wel: kleur. Ieder paard heeft een kleur en kleur vererft dan ook altijd en volledig. Het milieu heeft geen invloed op de kleur. Hiermee zijn de belangrijkste typische eigenschappen van kwalitatieve kenmerken genoemd:
  1. ze hebben een eenvoudige genetische achtergrond (worden bepaald door één of slechts enkele genen)
  2. milieu-factoren hebben geen invloed. Het is: alles of niets / ja of nee / zwart of bruin / etc.

Kwantitatieve kenmerken
De meeste kenmerken die voor fokkers belangrijk zijn, zoals bijvoorbeeld een correct en aansprekend exterieur, goede basisgangen en aanleg voor dressuur en springen, zijn echter voorbeeld van kwantitatieve (of polygene) kenmerken. Kwantitatieve kenmerken (polygene kenmerken) worden door een groot aantal genen bepaald. Hoeveel precies, dat weten we vaak niet. Gedacht kan worden aan ongeveer 200 genen per kenmerk. Het feit dat meerdere genen het kenmerk bepalen verklaart ook direct de tweede naam: “poly” “gene” kenmerken: ”veel” “genen”. Drie erg belangrijke eigenschappen van kwantitatieve / polygene kenmerken zijn:
  1. Ze worden bepaald door een groot aantal genen
  2. Ze vererven niet volledig maar kennen een “mate van vererving”.
  3. Verder hebben milieu omstandigheden wel invloed op hoe de genetische aanleg zich uit. 
EVEN IETS MEER

Alleen voor kwantitatieve kenmerken geldt dat:

sommigen kenmerken sterk vererven naar het nageslacht en andere zwak. Elk kwantitatief kenmerk heeft zijn eigen "mate van erfelijkheid" en deze wordt uitgedrukt met de 'erfelijkheidsgraad'.

Ook geldt alleen voor kwantitatieve kenmerken:

Fenotype = Genotype + Milieu